



CHAMBER MUSIC WEESP

GoYa Quartet
Zaterdag 12 september
20.00 uur
Van Houtenkerk

Het GoYa Quartet, opgericht in 2014, bestaat uit Sylvia Huang (viool), Hani Song (viool), Saeko Oguma (altviool) en Honorine Schaeffer (cello). Dit kosmopolitische ensemble, afkomstig uit België, Zwitserland/Zuid-Korea, Japan en Frankrijk en Weesp (!), brengt een unieke mix van culturen samen en is gevestigd in Amsterdam.
Het kwartet heeft samengewerkt met gerenommeerde musici, waaronder het Danel Quartet, Olivier Patey, Calogero Palermo, Simon van Holen en Emily Beynon.
Hun veelzijdige repertoire omvat de klassieke elegantie van Haydn en Schubert tot de expressieve moderniteit van Britten en Bartók. In november 2024 brachten ze hun debuut-cd, Autumn Leaves, uit bij het Nederlandse label Gutman Records. Het album oogstte al veel lof in de Nederlandse pers en kreeg 5 sterren en een "Cum Laude" beoordeling van Luister. Lex Bohlmeijer omschreef het als "betoverend... het is van een ondraaglijke schoonheid; waarschijnlijk een van de mooiste albums van het jaar."
Voor meer info over het GoYa Quartet: klik hier.
Portret van de Honorine Schaeffer in het Weesper Nieuws (tekst Nikola van Krieken): klik hier.
Kaarten ook te koop bij DA Drogist, Nieuwstad 60, Weesp (alleen contant)
Onder voorbehoud van wijzigingen.
Programma
Franz Schubert - Quartetsatz
Ludwig van Beethoven - Strijkkwartet Op. 74 ("Harfenquartett")
Benjamin Britten - Strijkkwartet nr. 2
Toelichting: Franz Schubert (1797-1828) - Quartettsatz in c klein D 703 Allegro assai “Quartettsatz” (“deel van een kwartet”) is de titel die door de uitgever aan dit eendelige kwartet is gegeven. Het is het twaalfde strijkkwartet dat Schubert schreef. Al als tiener had hij verschillende strijkwartetten gecomponeerd, vooral voor huiselijk gebruik met zijn vader en zijn twee broers. Maar deze Quartettsatz, geschreven toen hij 23 jaar was, wordt algemeen beschouwd als de eerste van zijn beroemde latere strijkkwartetten. Zoals wel meer van zijn composities heeft Schubert ook dit werk onvoltooid weggelegd, en is het pas jaren na zijn dood ontdekt en uitgegeven. Johannes Brahms bezat het manuscript en verzorgde de eerste editie in 1870. Dat Schubert deze compositie oorspronkelijk bedoelde als een kwartet in meer delen blijkt uit het feit dat er ook 41 maten van een volgend andante in het manuscript aanwezig waren. Waarom hij het onafgemaakt liet liggen is niet bekend. Misschien was er een heel praktische reden: een interessante opdracht die voorrang kreeg, of toch: was het eerste deel, dit allegro assai, op zichzelf al een zó volledig stuk muziek dat het hem onmogelijk leek om hier nog een paar volgende delen van dezelfde hoge kwaliteit aan toe te voegen? We weten het niet. Net als Schuberts “Onvoltooide Symfonie” is deze Quartettsatz beroemd en geliefd geworden. Meteen aan het begin zit je als luisteraar op het puntje van je stoel: vanuit een pianissimo zwelt een geagiteerde reeks snelle chromatische nootjes aan tot fortissimo. Deze dramatische opening maakt dan plaats voor een lyrische melodie. Ook het volgende thema is rustig en zangerig. Steeds is er een afwisseling van rusteloosheid en sereniteit, en lopen deze soms ook door elkaar heen, zoals in de korte doorwerking, waar de thematiek van de inleiding goed te horen is in de triolen die de lyrische melodie begeleiden. Aan het eind van deze Quartettsatz komt de stormachtige reeks zestiende nootjes van het begin weer terug, en wanneer je een vervolg hierop verwacht klinken plotseling drie ferme slotakkoorden. Tekst: Maaike Zimmerman Ludwig van Beethoven (1770-1827): Strijkkwartet opus 74, in Es groot: “Harfenquartett” I. Poco adagio - Allegro II. Adagio ma non troppo III. Presto - più presto quasi prestissimo IV. Allegretto con variazioni Beethoven schreef dit kwartet opus 74 in 1809, kort na één van de bloedigste veldslagen van de Napoleontische oorlog (de slag bij Aspern). Dat Napoleon deze slag niet won werd in Oostenrijk als een overwinning gevoeld, en bood een vergezicht op vrede in Europa. Iets van deze gevoelens zal het Weense publiek misschien hebben ervaren in dit kwartet, waarin zwaarmoedigheid afgewisseld wordt met pure vreugde. Het eerste deel begint met een zachte, vragende inleiding, waarin de kalme stemming een paar keer wordt onderbroken door ferm neergezette akkoorden. Na de laatste akkoorden opent de eerste viool met een zonnig thema een elegant, optimistisch allegro. Dan spelen cello en altviool de beroemde pizzicato (getokkelde) noten, waaraan het kwartet zijn naam “harp-kwartet” te danken heeft. De eerste en tweede viool zetten deze springerige conversatie voort. Reeksen snel gestreken toonladders worden van het ene instrument naar het volgende doorgegeven, en vullen soms de hele ruimte. Een tweede thema bestaat uit doorlopende snelle nootjes, begeleid door een motief dat herinnert aan de beroemde opening van Beethovens vijfde symfonie: kort-kort-kort-lang. In een lange coda, waarin de eerste viool schittert met een virtuoze zestienden-passage, klinken ook weer de tokkelende “harp”-noten, nu uitgebreid, en ritmisch gevarieerd, door de vier instrumenten aan elkaar doorgegeven. Voordat het deel besluit, speelt de tweede viool boven alle anderen uit een stralende, breed opgezette melodie. Het langzame tweede deel is één van de mooiste adagio’s die we van Beethoven kennen. Een lyrisch lied, haast een liefdes-aria, door de eerste viool geïntroduceerd, komt als in een rondo een paar keer terug, steeds subtiel gevarieerd met versieringen. Hier vertellen vier strijkinstrumenten, ieder met een eigen inbreng, maar in perfect samenspel, een gevoelvol verhaal. Tussendoor zijn er soms wat meer emotionele, heftige episodes. Na dit peinzende adagio verrast het bruuske, rusteloze derde deel. Het heeft een A-B-A-B-A opbouw: het Scherzo (A) wordt twee keer afgewisseld door een trio (B). Het A-deel is een wilde dans, onder leiding van de eerste viool, bijgevallen door de andere drie strijkers, Het trio (B) wordt geopend door de cello met een razend snel toonladder-achtig op- en neergaand motief in driekwarts maat, de anderen volgen in kanon; boven de snelle kanon klinkt een bredere melodie; het is voorbij voordat je het weet. Na de herhaling van het A-deel komt dit trio nog sneller terug. Na een verkorte versie van het A- deel begint de coda eerst duizelingwekkend snel. Maar naar het eind toe wordt dit deel in een lange, langzame passage steeds zachter (er staat eerst piano, dan pianissimo in de partituur). Het vierde deel sluit mooi aan bij het rustige eind van het vorige deel. Het opent met een sierlijk thema; dan volgen er zes variaties op dit thema. De oneven variaties zijn sterk en energiek, de even variaties vriendelijk en lyrisch. Zo speelt bijvoorbeeld in de vierde variatie de altviool een zachte, weemoedige solo, begeleid door de anderen. Na de zesde variatie versnelt het tempo, en volgt als coda een luidruchtig allegro dat gebaseerd is op de derde variatie. Tot slot klinken zacht twee korte akkoorden. Tekst: Maaike Zimmerman Benjamin Britten (1913-1976): Strijkkwartet nummer 2 in C, opus 36 (1945) I. Allegro calmo senza rigore II. Vivace III. Chacony: Sostenuto – molto più andante – Molto più adagio Brittens composities voor strijkkwartet zijn onder te verdelen in drie groepen die in zeer uiteenlopende fasen van zijn leven zijn ontstaan: ten eerste een aantal vroege werken uit zijn tienerjaren (1928-1933), waarin zijn groeiende zelfstandigheid ten opzichte van zijn leraar –Frank Bridge – tot uiting komt; ten tweede zijn eerste twee genummerde kwartetten, waarvan het eerste in 1941 in Amerika werd voltooid en het tweede in oktober 1945, enkele maanden na de première van opera “Peter Grimes”. Ten slotte componeerde hij zijn derde kwartet na de opera “Death in Venice”, kort voor zijn eigen overlijden. Britten had Bridge leren kennen via zijn eerste viooldocente, Audrey Alston, die samen met Bridge aan het Royal College had gestudeerd. Hoewel Bridge – zelf een gevestigd componist – destijds vioolles gaf en geen compositieles, was hij zo onder de indruk van Brittens vroegrijpe composities dat hij vriendschap met hem sloot en hem onder zijn hoede nam wat betreft het componeren; waarschijnlijk stimuleerde hij daarbij ook Brittens pacifisme. Toen Britten en de zanger Peter Pears eind april 1939 vanuit Engeland per schip naar Canada vertrokken, kwam Frank Bridge hen uitzwaaien en gaf hij Britten zijn altviool mee. Het was de laatste keer dat ze hem zagen, want hij overleed in 1941, het jaar waarin Britten zijn Strijkkwartet nr. 1 voltooide. Het tweede strijkkwartet ontstond na Brittens terugkeer naar Engeland en het succes van “Peter Grimes”. In juli 1945 maakten Britten en Yehudi Menuhin een uitputtende tournee van tien dagen door Duitsland, waarbij ze onder meer Bergen Belsen bezochten en daar voor overlevenden optraden. Britten verklaarde dat zijn bezoek aan Belsen alles wat hij daarna schreef, heeft beïnvloed. De wanhopige en boze sfeer van zijn liederencyclus “The Holy Sonnets of John Donne” vindt zijn oorsprong in dit bezoek. Het tweede kwartet volgde kort daarna en werd – net als de “Sonnets” – geschreven ter gelegenheid van Purcells 250ste geboortedag in datzelfde jaar; de première vond precies op Purcells verjaardag plaats. Over het stuk schreef hij zelf: "Naar mijn mening is dit de grootste vooruitgang die ik tot nu toe heb geboekt." De openingsmaat toont Brittens ongeëvenaarde vermogen om klank op te roepen: een eenvoudig stijgend deciem-interval waarbij de vier strijkers in octaven spelen en de altviool bovendien de lage grondtoon C vasthoudt, dit alles in een “diminuendo”. Eenvoudig. En magisch. We betreden een andere wereld – deels Purcell, deels de deinende zee uit “Grimes”, deels Balinese gamelan – en dat alles verankerd in Brittens 'thuistoonsoort' C. Het hele kwartet is zelfs stevig in C verankerd; dit wordt nog eens nadrukkelijk onderstreept door de drieëntwintig opeenvolgende C-majeurakkoorden aan het slot van het laatste deel. Het is opmerkelijk dat Britten zo'n grote verscheidenheid in het stuk weet aan te brengen, terwijl hij toch zo dicht bij deze thuistoonsoort blijft. De reeks nachtmerrieachtige episoden in het tweede deel vormt een scherp contrast met het eerste deel. Het staat in c-klein en begint met fortissimo-stoten tegen het gedempte gefladder van verontrustende motten in. Het onbehaaglijke gevoel wordt versterkt door echoënde, parallel dalende toonladders met een onderlinge afstand van één toon (zie afbeelding). Een griezelige, huppelende begeleiding leidt tot angstig huilende octaven van de eerste viool. Uiteindelijk fladderen de motten de nacht in en is de nachtmerrie voorbij. Het derde deel voert ons vanuit deze kwellingen terug naar de veiligheid van C-groot en een chaconne in de stijl van Purcell. De veelbetekenende opening (zie afbeelding) kondigt een omvangrijk deel aan; het is inderdaad langer dan de eerste twee delen samen. Het chaconne-thema wordt eerst door alle vier de instrumenten in octaven gespeeld, gevolgd door 21 variaties verdeeld over vier groepen, die van elkaar worden gescheiden door cadensen van respectievelijk de cello, de altviool en de eerste viool. Zoals Britten in een korte toelichting bij de première uitlegde: 'Men zou kunnen zeggen dat de secties het thema vanuit (a) harmonisch, (b) ritmisch, (c) melodisch en (d) formeel oogpunt belichten'. Deze monumentale structuur eindigt met een slotvariatie waarin de 23 opeenvolgende C-groot-akkoorden zijn verweven: een indrukwekkende en originele afsluiting van een diepzinnig en aangrijpend werk. Tekst: Chris Darwin