top of page
Olivier Patey.jpg

Nieuwjaarsconcert

Zaterdag 24 januari 2026 20.00 uur
Van Houtenkerk

Het nieuwe jaar wordt geopend met een prachtig programma, bekend en toch geheel nieuw!

Diet Tilanus and Friends

  • Olivier Patey - Klarinet/Bassetklarinet

  • Diet Tilanus - Viool

  • Ruña 't Hart - Viool 

  • Anastasia Feruleva - Cello 

  • Simone van der Giessen - Altviool

  • Frank van de Laar - Piano

€27,50  Vrienden €25,- (let op: gebruik de Vriendencode van 2026) Jeugd €8,50

Kaarten ook te koop bij DA Drogist,
Nieuwstad 60, Weesp (alleen contant).

Onder voorbehoud van wijzigingen.

Olivier Patey

Programma

Programma

De avond wordt geopend met het pianokwartet van de Spaanse componist Joaquin Turina. Dit stuk, dat zich baseert op de Andalusische Cante Jondo (“Diepe Zang”), zet meteen een stralende, serieuze sfeer: feestelijk maar niet oppervlakkig.
 

En dan het prachtige Hoorn Trio opus 40 van Johannes Brahms dat hij schreef naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder. Als jongen had Brahms zelf ook hoorn leren spelen, misschien dat dat de keus voor dit instrument verklaart. Hij schreef het voor “natuur hoorn” (= Waldhorn; dus zonder ventielen!) omdat die klank “opener” is en meer melancholisch. Vanavond wordt echter de hoorn partij op een basset hoorn gespeeld: dat is een klarinet die ietsje lager gaat dan een standaard instrument en enigszins klinkt als een waldhorn. 

 

Na de pauze genieten met het klarinet kwintet van Mozart: is er een mooier begin van het nieuwe jaar mogelijk?

 

Joaquín Turina - Pianokwartet opus 67 in a klein
1. Lento - Andante mosso

2. Vivo

3. Andante - Allegretto

 

Johannes Brahms - Hoorntrio opus 40 in E groot
1. Andante

2. Scherzo: Allegro

3. Adagio mesto

4. Finale: Allegro con brio

 

Pauze

 

Wolfgang Amadeus Mozart - Klarinetkwintet KV581 in A groot

1. Allegro

2. Larghetto

3. Menuetto

4. Allegretto con variazione

 

​​

Toelichting: Joaquín Turina (1882-1949) - Pianokwartet opus 67 in a klein Turina is vooral bekend door zijn werken voor orkest met hun Spaanse klankkleur. In de periode van 1905 tot 1914 studeerde hij in Parijs. Daar maakte hij kennis met de muziek van de Franse impressionisten. Hij studeerde in Parijs bij Vincent d’Indy en bij d’Indy’s leraar, César Franck. Het verhaal gaat dat hij op een avond in een Frans café zat met zijn Spaanse leeftijdgenoot Manuel de Falla en andere jonge Spaanse componisten, en met de wat oudere, vooraanstaande Spaanse componist en dirigent Isaac Albéniz. Deze wees zijn jongere collega’s erop dat ze bij alle enthousiasme voor de Franse muziek de Spaanse volksmuziek in hun composities niet moesten verwaarlozen. Dat heeft Turina, evenmin als De Falla, ook nooit gedaan.  Terug in Spanje vestigde hij zich in Madrid, werd daar directeur van het conservatorium, en werkte als pianist, componist en dirigent. Hij werd een vooraanstaande figuur in het Spaanse muziekleven. Na de Spaanse Burgeroorlog kreeg hij de leiding van het algemene muziekdepartement van het Spaanse Ministerie van Onderwijs. Naast veel werken voor sologitaar en symfonisch werk componeerde hij kamermuziek, waaronder dit pianokwartet uit 1931. In zijn kamermuziekwerken verbindt hij de invloeden van het impressionisme die hij in Parijs heeft opgedaan met zijn eigen expressieve ideeën, en met de ritmes en gitaarstijlen van verschillende Spaanse provincies, en dan vooral van zijn geboortestreek Andalusië. Het eerste deel van dit pianokwartet: Lento, opent met een unisono door de strijkers gespeelde melodie. Dit begin kondigt meteen een kenmerkend element in Turina’s muziek aan: Zulke melodische passages, intens en ook mysterieus, zijn typisch voor de volksmuziek van Andalusië (Turina is geboren in Sevilla). Ze grijpen terug op de antieke Canto Jondo, het zwaarmoedige “diepe gezang” van zuidelijk Spanje. Deze en soortgelijke zangen worden de “bouwstenen” voor dit hele pianokwartet, en komen terug in het tweede en derde deel. Dit cyclische principe maakt het kwartet tot een eenheid. Na de langzame inleiding volgt in dit eerste deel een rustig wiegend andante mosso in 6/8 maat. Het tweede deel: Vivo, is een pittig gekruide Spaanse dans, even onderbroken door een kalmer, beschouwend trio. Hier klinkt op een gegeven moment een herinnering aan de melodie van het eerste deel. In dit tweede deel klinkt nog een andere directe verwijzing naar Spaanse volksmuziek: herhaalde akkoorden in de piano, en pizzicato passages van de strijkers suggereren gitaarmuziek en castagnetten. Het afsluitende derde deel: Andante-Allegretto opent weer met een herinnering aan een melodie uit het eerste deel. Daaruit ontwikkelt zich een romantisch rapsodie, met meeslepende solo’s voor elk van de vier instrumenten. Passages met impressionistische harmonieën herinneren eraan dat Turina in zijn Parijse periode zich in de muziek van componisten als Debussy heeft verdiept. Tot slot klinkt een hartstochtelijke zang, door de drie strijkers unisono gespeeld. Met een ferm slotakkoord komt – jammer genoeg – een eind aan dit warme, van zonlicht doortrokken stuk kamermuziek. Johannes Brahms (1833-1897) - Hoorntrio opus 40 in E groot Brahms had dierbare jeugdherinneringen aan de hoorn. Als kind had hij les in piano, cello, en zijn vader, die zelf hoorn speelde gaf hem les op dat instrument, de natuurhoorn. Dit bleef een lievelingsinstrument van Brahms, die het zelfs zo goed beheerste dat hij als zeventienjarige eerste hoornist was in het orkest van Detmold. Voor dit trio met de opmerkelijke combinatie van hoorn, viool en piano schreef hij uitdrukkelijk voor dat de hoornpartij op een natuurhoorn gespeeld moest worden. In de periode waarin dit trio geschreven werd was de modernere hoorn met ventielkleppen al jaren algemeen in gebruik. Maar de klank van de traditionele natuurhoorn was milder, minder overheersend, en met de hand kon de hoornist alle nuances in dynamiek en klankkleur regelen. In het concert van vandaag wordt de hoornpartij gespeeld op de bassethoorn, een basklarinet, die het timbre en de dynamische nuances van de natuurhoorn waarschijnlijk goed benadert. Brahms schreef dit hoorntrio in de zomer van 1865, die hij in Lichtental bij Baden-Baden in het Zwarte Woud doorbracht. Zelf vertelde hij aan zijn leerling en biograaf Florenz May dat het idee voor het thema van het eerste deel hem bij een wandeling door de bossen ingevallen was. Opvallend is de structuur van dit trio: vier delen die afwisselend langzaam-snel-langzaam-snel zijn. Het eerste deel wisselt op zich ook weer tussen een breed, nostalgisch klinkend andante en een wat meer geanimeerde passage. De viool opent met een thema dat heel geschikt is voor de natuurhoorn. Deze neemt het dan over, en introduceert het later opnieuw, en nóg een keer, na de wat meer geanimeerde passage. In het tweede deel, een ritmisch gecompliceerd, snel Scherzo (Allegro) brengt een veel rustiger, weemoedig trio-gedeelte (molto meno allegro) de luisteraar al in de stemming van het volgende deel, maar eerst keert het snelle Scherzo nog terug. Dan volgt het derde deel, dat wel als het emotionele hart van dit werk mag gelden, het Adagio mesto (mesto = weemoedig): Een treurzang vanwege de recente dood van zijn moeder? Of een droevige herinnering aan de onlangs verbroken relatie met Agathe von Siebold? Donkere kleuren van de piano maken het thema vol sombere halve tonen van dit intense deel nóg droeviger, ondanks een korte gepassioneerde onderbreking van het langzame tempo. Dit diep-gevoelige adagio eindigt in verstilde akkoorden van viool, hoorn, en piano. In een heel andere sfeer volgt het opgewekte thema van de Finale: Allegro con brio. Het vrolijke, op Duitse volksliedjes gebaseerde thema, geïntroduceerd door de viool, wordt overgenomen door de hoorn. Hier komen dankzij het in kwarttonen omhoog gaande jachtmotief de harmonieën van de natuurhoorn tot hun volste recht. Voortijlend met nauwelijks een moment om adem te halen brengt deze opwindende muziek het trio tot een zonnig einde. Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) - Klarinetkwintet KV 581 in A groot Het jaar waarin Mozart dit kwintet schreef (1789), viel in een voor hem bepaald niet rooskleurige periode. Zijn gezondheid ging hard achteruit en hij leed onder armoede. Toch is veel schitterend werk juist in deze tijd ontstaan, zoals Cosi fan tutte en twee van de Pruisische strijkkwartetten. Net als het Klarinetconcert en het Kegelstatt trio, werd dit Klarinetkwintet geïnspireerd door Mozarts grote liefde voor de klarinet en door de muzikaliteit van zijn vriend, de klarinettist Anton Stadler. Die was een pionier op de klarinet, een instrument dat toen nog volop in ontwikkeling was. Stadler was overigens nogal een schurk, die misbruik maakte van Mozarts onvoorwaardelijke vriendschap: Hij haalde Mozart over tot kroeglopen en drinken, hij leende en stal van hem (terwijl Mozart er financieel al zo beroerd voorstond). Mozart had zoveel respect voor Stadlers muzikaliteit en vakmanschap, dat hij hem nooit iets kwalijk kon nemen. Het eerste deel: Allegro is in de gebruikelijke sonatevorm: een eerste en tweede thema, een doorwerking en een recapitulatie. Eerst spelen de strijkers een sereen, eenvoudig lied, afgewisseld met speelse passages van de klarinet. In het tweede thema, cantabile, treedt de klarinet meer op de voorgrond. In een vriendschappelijke rivaliteit tussen blazer en strijkers komen dan alle vijf spelers gelijkelijk aan bod. In het tweede deel: Larghetto, opent de klarinet met een ontroerende melodie, de strijkers begeleiden met hun instrumenten voorzien van een demper (con sordino). Ook is er op een gegeven moment een dialoog tussen viool en klarinet te horen, terwijl de andere strijkers de melodie voortzetten. De dempers gaan eraf voor het derde deel: een opgewekt Menuetto. Binnen het menuet zijn er twee contrasterende trio’s, waarvan het eerste alleen door de strijkers wordt gespeeld. Het tweede trio is een soort Ländler; hier klinkt de klarinet echt als een herdersinstrument, zoals je dat ook nu nog wel in Tirol kunt horen. Het laatste deel bestaat uit een zwierig thema met vijf contrasterende variaties. Opvallend is de derde variatie, waar de altviool een wat klagende variatie in mineur speelt (Mozart speelde zelf de altvioolpartij in de eerste uitvoering van dit kwintet). Het klarinetkwintet is de geschiedenis ingegaan als een van de meest geliefde stukken kamermuziek. Het geldt nog steeds als een topcompositie voor klarinet en strijkkwartet. Tekst Maaike Zimmerman

bottom of page