top of page
Pablo-photo-Verena-2.jpg

Pablo Hernán Benedí and Friends

CMW_logo_roodgeen kop cello 217x463.png

Woensdag 27 mei
20.00 uur
Van Houtenkerk

Pablo Hernán Benedí is geen flashy "virtuoos showtype", maar een muzikaal denker en kamermuziek specialist die bekend staat om zijn authentieke stijl, sterke samenwerkingen en hoge artistieke niveau.

Als oprichter van het Trio Isimsiz en jarenlang lid van het niet minder befaamde Chiaroscuro Quartet heeft hem een uitgebreide kennis en ervaring gebracht van kamermuziek in al z'n facetten.

Daarnaast heeft hij ook ruime ervaring als solist met diverse orkesten maar ook als concertmeester. 

Maar zijn bekendheid en faam verwierf hij vooral via de kamermuziek. Zo heeft hij veel aandacht voor de historische uitvoering praktijk (hij speelt vaak op darmsnaren), samenspel, interpretatie tegenover effect, intieme uitvoeringen in kleinere zalen. 

 

En alleen al het feit dat Pablo speelt zowel op een J.B Vuillaume uit 1851, als een Andrea Amati uit 1570 (ter beschikking gesteld door de Jumpstar Foundation), geeft aan dat we met een bijzondere violist te maken hebben!

 

En op dit concert wordt hij vergezeld door Floor Le Coultre (viool), Lilli Maijala (altviool), Simone van der Giessen (altviool) en Anastasia Feruleva (cello). Stuk voor stuk ook met een geweldige staat van dienst in de kamermuziek!

Onder voorbehoud van wijzigingen.

Programma

  • Mozart - Strijkkwintet nr. 6, KV614 in Es

  • Britten - 3 Divertimenti
    Pauze

  • Brahms - Strijkkwintet nr 1,  opus 88

Anastasia Feruleva.jpg
Kopie van simone2 240x265.jpg
lLilli Maijala.jpg
floor-le-coultre.jpg

Toelichting: Benjamin Britten - 3 Divertimenti voor strijkkwartet; delen: March, Waltz, Burlesque Benjamin Britten was een muzikaal wonderkind. Toen hij 14 jaar was, had hij al over de honderd composities geschreven. Zijn altvioollerares bracht hem in contact met Frank Bridge, die hem ter voorbereiding op zijn studie aan het Royal College of Music privélessen theorie en compositie gaf, lessen die diepe indruk maakten op Benjamin. Ook tijdens zijn studie aan het Royal College bleef Britten in nauw contact met Frank Bridge. In het laatste jaar van zijn studie aan het Royal College begon hij aan het componeren van een suite voor strijkkwartet. Het zou een serie van vijf muzikale portretten worden van zijn schoolvrienden uit de boarding school tijd, getiteld Alla Quartetto Serioso, en met de contrasterende ondertitel: “Go play, boy, play” (een citaat uit Shakespeare’s Winter Tale). Hij bleef hier de volgende drie jaren aan werken, maar voltooide uiteindelijk drie delen. Het eerste deel Alla Marcia, verving hij tenslotte door een nieuw deel: March, en samen met de twee al voltooide delen vormden deze drie de Three Divertimenti. Ze werden voor het eerst uitgevoerd in 1936 door het Stratton Quartet, in Wigmore Hall. Britten was zo teleurgesteld door de koele reactie van publiek en recensenten, die hij omschreef als ‘sniggers and cold silence’ (gegniffel en kil zwijgen), dat hij het werk terugtrok. Het werd pas in 1985 na zijn dood heruitgegeven, en is sindsdien een graag uitgevoerd werk. Het is zonnige muziek, vol jeugdige energie. Het oorspronkelijke Alla Marcia was opgedragen aan zijn schoolvriend David Layton met wie hij veel samen optrok; het stuk had als bijschrift PT (physical training). Maar dit deel verving hij later door een nieuwe March (het oorspronkelijke Alla Marcia werd als Parade opgenomen in zijn korte tijd later gecomponeerde Les Illuminations). In de meteen heel fel openende March is het marstempo voortdurend voelbaar, ook tijdens de veelvuldige glissando’s (glijdende tonen) en de soms als het ware even naar adem happende pauzes. Af en toe lijkt het op een soort nep-fanfare. Mogelijk is in deze soms sarcastisch aandoende mars iets te horen van de afkeer die Britten als jongen op de boarding school al had van militair vertoon. Uit zijn dagboeken blijkt dat zijn aangeboren gevoel voor sociale rechtvaardigheid zich verzette tegen de cultuur van intimidatie bij de militaire oefeningen op die school en de koeionerende houding tegenover leerlingen. Na een laatste reeks heftige, aangehouden akkoorden, onderbroken door spannende korte stiltes, eindigt March met enkele pizzicato’s. Het deel Walz heette in de oorspronkelijk geplande suite “At a party”; het is een melodische dans, een nostalgisch aandoend wijsje gaat langs alle instrumenten, en keert na een wat meer geagiteerd tussenstuk weer terug. Het derde deel, Burlesque, in de eerste versie “Ragging” genaamd, was opgedragen aan Brittens schoolvriend Francis Barton (de opdracht aan Burton staat er nog steeds bij). Burlesque neemt je als luisteraar mee op een wilde galop, met voortdurende tremolo’s. verrassende sprongen en dynamische contrasten. Het tempo wordt tegen het eind haast maniakaal. Na een korte adempauze en een vragend glissando van de altviool komt de draf abrupt tot stilstand. Wolfgang Amadeus Mozart - Strijkkwintet KV 614 in Es groot Delen: Allegro di molto, Andante, Menuetto (Allegretto), Allegro Mozart schreef in totaal zes ‘altkwintetten’, zoals strijkkwartetten met toegevoegde altviool meestal worden genoemd. Hij componeerde die in verschillende fasen van zijn leven. Iedere keer wanneer hij een serie strijkkwartetten had voltooid werd hij geïnspireerd om muziek te schrijven voor altkwintet, alsof hij het idee had dat hij tot een soort grens geraakt was van wat hij kon uitdrukken met vier strijkinstrumenten. Voor hem was het heel natuurlijk om een altviool toe te voegen aan een strijkkwartet, want de altviool was zijn lievelingsinstrument; hij speelde zelf vaak de altviool in strijkkwartetten. Eerdere componisten hadden ook al wel strijkkwintetten geschreven, soms met twee altviolen of ook wel met twee cello’s (o.a. Boccherini), maar Mozart maakte op een heel eigen manier gebruik van de mogelijkheden van het kwintet met twee altviolen. Zo kon hij de instrumenten op verschillende manieren groeperen en hergroeperen, in tweeën of in drieën. Een cellosolo kon bijvoorbeeld goed ondersteund worden door een “bed” gespreid door twee altviolen. Of eerste viool en altviool konden samen een duet zingen als in een opera. Dit altkwintet KV 614 is het laatste van Mozarts zes altkwintetten, ook is het zijn laatste kamermuziekwerk. Hij voltooide het vlak voor zijn dood in 1791, maar het werd pas in 1793 gepubliceerd. Hoewel het kwintet een opgewekte, divertimento-achtige sfeer ademt, is het een uiterst doorwrochte compositie. Het eerste deel opent met een thema als een soort jachtsignaal, gespeeld door de twee altviolen zonder de andere instrumenten. De violen beantwoorden dit met een elegant neergaande figuur. is meer vloeiend, maar het tweedelige eerste thematische materiaal voert in dit deel de boventoon, en blijft door het hele kwintet heen een rol spelen, tot in het laatste deel. Het tweede deel, Andante, is als een elegante dans, en heeft de structuur van een thema met variaties. Deze variaties zijn vol versieringen, vooral door de eerste viool, maar ook wel door de andere instrumenten gespeeld. Het derde deel, een feestelijk Menuetto, herinnert aan menuetten van Haydn. De instrumentgroepen wisselen elkaar hier kunstig af. Het trio binnen dit deel is een vloeiend, muziekdoos-achtig wijsje, de eerste viool begint, dan wordt dit een duet met de eerste altviool. Tenslotte spelen vier strijkers het wijsje, begeleid door een steeds herhaalde, en soms lang aangehouden noot Es in de cello, als van een doedelzak. Het vierde deel opent met een opgewekte melodie. Het is opgebouwd als een rondo en zit vol verfijnde grapjes, zoals bijvoorbeeld de verrassende korte stiltes. Ook dit herinnert aan strijkkwartetten van de door Mozart bewonderde Haydn. In het midden van dit deel wordt het samenspel stormachtig, en ontwikkelen de vijf instrumenten een kortdurende fuga, met een eigen thema. Daarna keert de onbekommerdheid van het begin weer terug. en eindigt het Allegro met een coda waarin het beginthema van het eerste deel weer te horen is. Brahms Strijkkwintet nr. 1, opus 88 in F Allegro non troppo ma con brio Grave ed appassionato - Allegro vivace – Presto Allegro energico – Presto Succesvol als hij was, een gevierd en geliefd componist, vaak “één van de drie B’s” (in een rij met Bach en Beethoven), genoemd, was Brahms toch zelf nogal onzeker en bezorgd dat hij ver onderdeed voor zijn illustere voorgangers. Hij was heel kritisch over zijn eigen werk. Het is bekend dat er heel wat van zijn composities – vooral kamermuziekwerken – in de prullenmand verdwenen, of nooit ter publicatie werd aangeboden. Ook dit altkwintet nr. 1, opus 88 zal ongetwijfeld vele eerdere versies gehad hebben die de toets van zijn zelfkritiek niet konden doorstaan. Het uiteindelijk door Brahms gepubliceerde kwintet is een meesterwerk, geliefd programmaonderdeel van kamermuziekconcerten. Hij was er zelf uiteindelijk zó tevreden over, dat hij aan zijn uitgever erbij schreef: “U hebt nooit eerder zó’n mooi werk van me gekregen.” Brahms schreef dit kwintet op 49jarige leeftijd, tijdens een verblijf in Bad Ischl, in de buurt van Salzburg. Hier woonde en werkte hij meestal vanaf het voorjaar tot het einde van de zomer; hier deed hij tijdens lange wandelingen in de door hem zo geliefde natuur inspiratie op voor veel van zijn composities. In het manuscript van het kwintet schreef hij bij elk deel: “In de lente van 1882”. Daarom wordt dit wel eens het “Lentekwintet” genoemd. Die bijnaam past goed bij de frisse, kleurrijke sfeer van met name het eerste en laatste deel van dit driedelige werk. Het eerste deel begint met een thema dat doet denken aan een volksliedje. Dit ontwikkelt zich verder met vrolijke puntige ritmiek. Vanuit bijna stilte brengt dan de eerste alt, begeleid door de tweede alt, het meer lyrische tweede thema. Terwijl deze melodie een driedelige maat heeft, spelen de andere instrumenten daarbij een tweedelig maatsoort met achtste nootjes. Na een gloedvolle doorwerking klinken de beide thema’s nogmaals. Steeds treft je de diepe, warme klank die het ensemble als geheel heeft dankzij de twee alten en de cello samen. Tegen het eind vertraagt het tempo, het wordt steeds rustiger, totdat het deel eindigt met drie slotmaten in het oorspronkelijke tempo, en drie krachtige akkoorden van de vijf instrumenten samen. Ook al heeft dit kwintet niet de gebruikelijke vier delen, Het tweede deel bestaat eigenlijk uit twee aparte delen. Het begint met een langzame Sarabande: Brahms had jaren eerder een studie gemaakt van o.a. deze 17e-eeuwse dansvorm, die altijd plechtig langzaam, en daarnaast vrij sensueel was; hij had de sarabande ook wel in pianocomposities toegepast. In dit kwintet wordt de sarabande (Grave ed appassionato) twee keer afgewisseld met een veel luchtiger, snel stuk, gebaseerd op het ritme van de 17e-eeuwse dans Gavotte: eerst een Allegretto vivace, dan een nog sneller Presto. Tenslotte klinkt het Grave ed appassionato voor de derde keer, wordt naar het eind toe nóg langzamer, en eindigt in fluisterende akkoorden. Het derde deel, een vitaal Allegro energico, combineert fuga en sonatevorm: Vanuit een fugatisch begin ontwikkelt zich het eerste thema, door het hele ensemble samen gespeeld. Het tweede thema, ingeleid door de eerste viool, is een lieflijke melodie in op-en-neergaand driedelig ritme. In een rijke doorwerking zijn de fuga en de twee thema’s in allerlei variaties te horen. Brahms weet deze ingenieuze opbouw toch een haast nonchalante sfeer te geven. Naar het eind toe begint het Presto als een vederlichte dans, en mondt uit in een door het hele ensemble gespeeld feestelijk slot. Tekst Maaike Zimmerman Biografie musici Pablo Hernán Benedí viool (Madrid, 1991) Pablo is een gerenommeerd violist en kamermusicus, bekend om zijn verfijnde spel. Hij was eerder lid van het Chiaroscuro Quartet. Pablo studeerde vanaf 2009 aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen bij David Takeno en András Keller. Pablo is lid van Trio Isimsiz en een actief kamermusicus, met optredens in o.a. de Wigmore Hall, Carnegie Hall en Muziekgebouw/Nederland. Hij is een bekende gast in de Nederlandse kamermuziekscene en verbonden aan de Strijkkwartet Biënnale. Pablo speelt zowel op een J.B Vuillaume viool uit 1851, als een Andrea Amati uit 1570 (ter beschikking gesteld door de Jumpstar Foundation). Floor Le Coultre viool, Floor begon op vierjarige leeftijd met vioollessen en vervolgde haar studie bij Joyce Tan, Ilona Sie Dhian Ho, Pavel Vernikov en Ilya Grubert. In 2014 sloot ze haar Masters af met onderscheiding voor ‘meeslepend spel’ aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Ze vervolgde haar post-graduate studie in Italië dankzij het Prins Bernhard Cultuurfonds. Floor heeft verschillende prijzen gewonnen. In 2011 werd zij benoemd tot Jong Muziektalent Nederland. Floor is een veelgevraagd kamermusicus en speelt in verschillende vaste ensembles. Daarnaast wordt ze uitgenodigd op kamermuziekfestivals zoals het Stift Festival, Aurora Festival, Chamber Jam, Classic Con Brio. Als solist trad ze op met verschillende orkesten en sinds 2012 werkt Floor regelmatig bij kamermuziekensembles als New European Ensemble en LUDWIG. Floor werkte mee aan meerdere cd’s met o.a. Barbara Hannigan en Sarah Ouakrat. In 2020 kwam haar debuut-cd Cuckoo uit met gitarist Martin van Hees. Als docent is Floor verbonden aan de Davidsbündler Music Academy in Den Haag. Lilli Maijala altviool Lilli trad voor het eerst op als solist toen ze zeventien jaar oud was, met het symfonisch orkest van haar geboorteplaats Oulu (Finland). Ze studeerde in Helsinki en Detmold en won diverse prijzen, bijvoorbeeld van het ARD Concours in München. Inmiddels musiceert de altvioliste met tal van gezelschappen, waaronder het Filharmonisch Orkest van Helsinki, Tapiola Sinfonietta, Sinfonia Lahti en de Camerata Salzburg. Ook als kamermusicus concerteert Lilli Maijala veelvuldig. Zo maakte ze deel uit van het ­onconventionele strijkkwartet Quartet-lab, naast cellist Pieter Wispelwey en de violisten Pekka Kuusisto en Patricia Kopatchinskaja. Als docent is Lilli Maijala verbonden aan de Sibelius Academie in Helsinki. Simone van der Giessen altviool Simone maakt deel uit van het Elias String Quartet. Zij heeft de artistieke leiding over onze Concertreeks en samen met Marije Johnston, de artistieke leiding over het Weesp Chamber Music Festival. Simone van der Giessen volgde vioollessen bij Julia Veerling en later Jeroen de Groot en Jan Repko. In 2002 begon ze haar studie op het Royal Northern College of Music in Manchester bij Jan Repko en later altviool bij Predrag Katanic. Ze studeerde af in 2006 met ‘First class honours’, won de RNCM’s Cecil Aronowitz Prize voor altviool en zette haar studie voort aan de Guildhall School of Music and Drama bij David Takeno waar ze haar Masters behaalde. Ze begon haar professionele muziekleven met het Navarra kwartet, wat gevormd werd op het RNCM in Manchester in 2002. Na 16 geweldige jaren met het Navarra kwartet maakt Simone sinds 2018 deel uit van het internationaal succesvolle Elias kwartet. Buiten het kwartet is Simone een veelgevraagd kamermusicus en heeft concerten gegeven met Anthony Marwood, Richard Lester, Ensemble 360, the Nash Ensemble en Amsterdam Sinfonietta. Simone is momenteel ook aanvoerder van de altviolen bij het Nederlands Kamerorkest. Anastasia Feruleva cello Anastasia, geboren in 1992 in Archangelsk (Rusland), begon haar cellostudie op vijfjarige leeftijd. Al vanaf haar vroege jeugd trad zij op. Concertreizen brachten haar naar o.a. Noorwegen, Italië, Hongarije, Brazilië en Nederland, waar ze momenteel gevestigd is. Ze behaalde haar Masterdiploma met een 10 met onderscheiding bij Larissa Groeneveld aan het Kon. Conservatorium in Den Haag, evenals aan de Hochschule für Musik Hanns Eisler in Berlijn, de Hochschule für Musik in Lübeck en haar postgraduate opleiding aan de Reina Sofia School of Music in Madrid. Daarnaast is haar artistieke ontwikkeling beïnvloed door musici als David Geringas, Gary Hoffman, Ralph Kirschbaum en Raphael Wallfisch. Anastasia Feruleva wordt geprezen als een van de meest veelbelovende cellisten van haar generatie. Met haar meeslepende expressiviteit en authentieke persoonlijkheid weet ze haar publiek in heel Europa te raken. Anastasia speelt, net als Simone, in het Nederlands Kamerorkest. Ze bespeelt een cello van de Nederlandse bouwer Rombouts (1710).

bottom of page